Ik weet niet of het op 18 september 1944 regende of dat de zon scheen. Ik herinner me nog wel, alsof het gisteren was, dat aan de overkant van ons huis aan de Boschdijk bij de steenfabriek van van Hapert, onder de al herfstgeel wordende eiken, een rij mannen in vreemde, geelgroene uniformen uit de richting Best aan komt lopen. Heel anders dan het gedrilde gestamp en het knarsende geluid van de spijkers onder Duitse laarzen dat we na vier jaar bezetting zo goed kenden. Hun hoge, bruine schoenen, waarin hun broekspijpen zijn weggestopt, maken geen geluid. Rustig, wat slordig achter elkaar, lopen de mannen daar, geweren in de hand, als wezens uit een andere wereld. Aan hun gordels hangen grote handgranaten en glimmende messen. Op hun hoofd met netten bedekte helmen, andere dan de glimmende helmen die de Grüne Polizei droeg als ze in hun wagens langzaam, dreigend over de Boschdijk reden. De mensen op straat worden even stil. Het zullen toch geen Duitsers zijn? Dat zou best kunnen want we hoorden soms dichtbij het ratelen van machinegeweren en we zagen de De Grüne Polizei op de Boschdijk.

Engelse Typhoons boven ons hoofd gierend naar beneden duiken om met hun raketten de Duitsers achter het Wilhelminakanaal bij Best te raken. Maar deze mannen lachen vriendelijk, zwaaien met hun geweren. Op hun mouwen een vlaggetje met sterren en strepen. Amerikanen! Het zijn de parachutisten die bij Son uit hun vliegtuigen zijn gesprongen om ons te bevrijden. We hadden de Dakota’s over ons huis zien vliegen. We klommen toen uit het zolderraam het dak op om ze te zien. Mijn vader gaf me zijn verrekijker en hield me vast zodat ik niet van de nok van het dak zou glijden. Met diezelfde verrekijker hadden we samen gezien hoe de Engelse Mosquito bommenwerpers op sinterklaasdag in 1942 over ons huis vlogen, de andere kant op, om hun bommen door de ramen van de Philipsfabrieken in Strijp te mikken. We hadden de piloten toen niet gezien maar nu zagen we een soldaat in de open vliegtuigdeur staan! We zwaaiden maar we konden niet zien of ze terugzwaaiden.

Nu zien we onze bevrijders voor het eerst, lopend, dichtbij! Iedereen rent op hen af, omhelst hen, schreeuwt het uit van vreugde. De jonge soldaten delen chocola en sigaretten uit. Vanuit een openstaand raam krast een oude grammofoonnaald het Wilhelmus naar buiten. De oude, half blinde overbuurman Smits houdt zich vast aan het hek. Hij ziet de soldaten niet maar zingt huilend mee met de grammofoon, zo maar in zijn eentje. Anderen vallen in. Het zo lang verboden lied galmt omhoog, tegen de ronde muren van de steenoven, langs de hoge schoorsteenpijp omhoog, de lucht in. Terwijl we die dag de bevrijding vierden, werd er gevochten langs de weg naar Son. We hoorden de kanonnen bulderen en zagen achter de Pastoor van Arskerk donkere, kolkende rookwolken opstijgen.               Later op die dag liep ik, jochie van twaalf, langs café Waldeslust bij ons op de hoek. Tijdens de bezetting mochten burgers niet in dat door Duitsers bezochte café komen. Nu was het er doodstil. De laatste Duitsers hadden we vorige week met paarden en volgepakte wagens langs zien trekken naar het noorden. De naam Waldeslust op de caféramen was al overgeschilderd. De rode verf droop nog in lange strepen naar beneden. De buurt was druk bezig het café te plunderen. Men kwam met allerlei spullen naar buiten. Buurman de Rode duwde een kruiwagen met een biertap er op, anderen sjouwden met stoelen, de overbuurman met een radio. Mientje van de overkant liep naar huis met een handvol lepels. Het huis van de NSB-er Slager werd ook geplunderd. De spullen werden vanuit een bovenraam naar buiten gesmeten. Ik ving een braadpan met steel op en liep er trots mee naar huis. “Breng terug!”, riep mijn moeder. “Ik wil geen geroofde spullen. Die tijd is voorbij!” Zachtjes voegde ze eraan toe: “Misschien”. Ik wilde de pan weer bij Slager in de tuin leggen maar Thea van de overkant rukte hem uit mijn handen en rende er mee naar huis. Op het trottoir, voor de deur van het café, lag een gewonde Duitse soldaat op de stoep bij het fietsenrek. “Laat maar liggen. Wij zorgen wel voor hem”, riep iemand grijnzend, terwijl hij een stoel naar buiten sjouwde. Om de Duitse soldaat verzamelden zich mensen, hun buit nog in de armen. “Sla ‘m kapot!” riep buurjongen Hendrik. De menigte joelde: “Toe dan! Doe maar!” Hendrik hief zijn buitgemaakte spa omhoog. Mijn vader was ondertussen ook komen kijken. Hij greep Hendrik beet, pakte de spa af. “Wil jij net zo worden als de Duitsers?” riep hij en liep naar de gewonde soldaat, een jongen van een jaar of zestien die hem met wijd opengesperde angstogen aankeek. “Bitte, bitte, lass mich leben!”  “Haal wat te drinken!” riep mijn vader. Zijn zware stem klonk boven het joelen uit. Het werd stil. Het ratelen van machinegeweren in de verte was nu goed te horen. Zo nu en dan de zware knal van een kanon. Een van de net nog tegen de Duitser schreeuwende mannen kwam met een fles bier aanlopen. Hij keek om zich heen of de omstanders niet boos werden als hij een Duitser hielp. Iedereen zweeg. “Hier, de Wind. Eigenlijk jammer van het bier, maar ja…” “Danke”, stamelde de jongen. Mijn vader ging bij hem zitten, ondersteunde zijn hoofd, veegde het bloed uit zijn gezicht en waakte bij hem tot hij werd meegenomen door mannen met een draagbaar. “Pa, waarom help jij een Duitser? Het zijn toch rotzakken? Ze hebben ome Max vermoord!” “Omdat jij er ook ergens zo had kunnen liggen. Ergens wacht er net zo’n vader als ik. ’t Is maar net aan welke kant je moet vechten.” De volgende dag belden mannen van de PAN, de Partizanen Aktie Nederland, een paar deuren verder bij weduwe Boorstra aan. De deur werd niet geopend. De mannen sloegen met hun geweren op de deur. “Doe open, we weten dat je thuis bent. We komen Oene halen.”  Ik kende Oene Boorstra goed. Hij had een motor met zijspan en liet ons wel eens een rondje meerijden over het Pastoor van Arsplein. Gisteren, in het donker, had ik hem het huis van zijn moeder binnen zien sluipen. Een paar jaar geleden had hij zich gemeld voor de Nederlandse SS. Om in Rusland tegen het bolsjewisme te vechten, zei hij. Hij had het Oostfront overleefd. Oene kwam naar buiten. Omstanders grepen hem beet, begonnen te schoppen en te slaan. Mijn vader kwam ook kijken.  “Waarom doe je nou niks, Pa?” “Oene heeft zelf gekozen om met de Duitsers mee te vechten. Hij hoefde niet met hen mee gaan vechten. Dat is het verschil.” De PAN-mannen namen de bloedende Oene mee. Omstanders joelden. De volgende dag werd NSB-er Pastoors opgehaald, de vader van mijn beste vriend Bob, die een paar huizen verder woonde. Met hoog opgeheven handen liep Pastoors langs ons huis. Soms gaven de PAN-mannen hem een por in zijn rug. Bij het tuinhek stonden Bob, zijn moeder en zusters hem angstig na te kijken. Toen hij weg was, gingen ze snel naar binnen. Een paar maanden later vertrokken de zusters naar Engeland om daar met Engelse soldaten te trouwen. Ze vluchtten voor het verleden van hun vader. Bob ging naar het seminarie om priester te worden. Jaren later zag ik hem langs ons huis lopen met een vrouw en drie kinderen. Ik zwaaide naar hem. Hij zwaaide niet terug.

Pas jaren later, toen ik op mijn trouwdag ons huis aan de Boschdijk verliet, vertelde mijn vader me dat hij joods was. Hij was katholiek geworden omdat mijn moeder anders niet met hem mocht trouwen. Mijn vader en moeder hadden dat in de oorlog geheim gehouden omdat ze bang waren dat ik het zou verklappen. Toen pas begreep ik wat mijn vader en moeder en zijn familie hadden meegemaakt, dat hij zelf voor zijn leven had gevreesd. Ik begreep waarom hij soms, als er Duitse soldaten of politiemannen in de buurt waren, in de achtertuin door de heg rende, weg van ons huis. En op mijn trouwdag begreep ik ook pas hoe het mogelijk was dat er op een dag twee rouwkaarten op de schoorsteen stonden, een van opa en oma, een van Ome Gideon, tante Ali en nichtje Betty. “Pap, hoe kan het dat ze allemaal tegelijk dood zijn gegaan?” vroeg ik toen. “Ze hadden een hele erge ziekte, Ger”, zei hij en liep snel de kamer uit. Mijn moeder liep met hem mee, haar arm om zijn schouder. “Huil maar even uit”, had ze gezegd. Ik begreep toen ook wat er was gebeurd toen we op een dag in de oorlog plotseling met de trein naar Amsterdam gingen. “We gaan naar opa’s huis”, zei pa. Dat vond ik vreemd. Waarom niet naar opa en oma zelf? Toen we in Amsterdam waren, gingen we in de buurt van het Amstelveld, waar opa woonde, in een café zitten. We keken naar het huis maar gingen er niet naar toe. Het leek wel of pa bang was. Ik mocht wel op het plein onder de bomen spelen. Soms keek ik naar het raam waar oma vaak zat te kijken als er markt was. Het bleef donker achter het raam. Na een uur gingen we toch naar binnen. De deur stond open. We klommen het kleine stenen trapje naar de woonkamer op. Het eten stond nog op tafel. Opa’s grijze jasje hing over zijn stoel. Pa huilde toen we in de trein naar huis reden. Hij praatte zachtjes met ma. Als er een conducteur langs kwam, zwegen ze. Ik herinner me hoe we samen, toen de trein ratelend over de Waalbrug reed, naar de toren van Zaltbommel keken, die als een dreigende vinger afstak tegen de rode lucht van de ondergaande zon.

Pa was in de oorlog niet “opgehaald”, zoals dat toen heette, misschien omdat mijn moeder katholiek was. Maar hij wist dat men ook Mischlinge ophaalde, kinderen zoals ik, met één joodse ouder. Hij dacht bij de soldaat op de stoep van Waldeslust niet alleen aan de vader van de gewonde soldaat ergens in Duitsland, hij dacht ook aan mij, de Mischling die aan Auschwitz was ontkomen. Toen hij op mijn trouwdag met me sprak, realiseerde ik me pas hoe bijzonder het was dat juist hij een gewonde Duitse soldaat, een soldaat van het moordenaarsvolk, had geholpen en tegen een woedende menigte had beschermd. Hij had in de oorlog haat en hetzes tegen joden gezien en het verdriet van de moord op zijn ouders en broers moeten verwerken. Hij wist wat mensen elkaar aan kunnen doen. En toch had hij een soldaat van de vijand beschermd. Zijn familie was door de Duitsers vermoord maar hij wist dat je alleen maar verder kunt leven als je zelf geen moordenaar wordt maar, als dat nodig is, een leven redt…