Twee maal per jaar gaat een groep Duitsers van de Vereniging voor Gevallenen naar de Oder in Polen, waar in 1945 de laatste grote slag van de Tweede Wereldoorlog plaatsvond. Ze zoeken daar anoniem begraven soldaten die ze hopen te identificeren. Een erezaak om hen thuis op een soldatenkerkhof onder een grafsteen met hun naam te begraven. Ze doen hun werk, vaak metersdiep gravend in de bruine modder van Duitsland of Polen. Harald Genetzke leidt de groep. Hij is op zoek naar zijn grootvader Günther, waarmee hij een speciale band had. Hij wandelde met hem door de bossen van Braunschweig, zocht dassenholen, leerde vogels kennen. Harald herinnert zich als de dag van gisteren hoe Günther in de oorlog werd opgeroepen voor het leger. Günther hoopte dat hij niet zou worden opgeroepen omdat hij moeilijk liep maar hij werd toch naar het Ostfront gestuurd. Na een paar maanden werd hij als vermist opgegeven. Zijn grootmoeder had Harald de brieven voorgelezen die Günther van het front had gestuurd.

Deze opgraving was voor Harald bijzonder want ze zouden zoeken bij Klessin, ooit een Duits riddergoed met een kasteeltje, waar een grenadiersregiment in maart 1945 moest proberen de Russische tanks tegen te houden. Wenn Klassin fällt, fällt Berlin, zei een hoge Duitse officier vóór hij over de laatste brug wegreed. Na het vernietigende Russische bombardement waren ze uit de voorste linies gevlucht en op het eeuwenoude riddergoed bijeengebracht. Daar waren nu nog duizenden sporen van vermisten. Vooral uit brieven kon men soms afleiden wiens gebeente men vond. De naam Klessin had bij Harald herinneringen opgeroepen, want die had hij gelezen in een brief van zijn grootvader aan het Ostfront. Hij had daarom voor Klessin gekozen. Misschien kon hij zijn grootvaders lichaam vinden. Ze vinden al snel verrotte planken van provisorische onderkomens, laarzen, helmen, verroeste wapens. En mensenbeenderen, overal mensenbeenderen. Soms op elkaar gestapeld zodat niet meer is vast te stellen welke beenderen bij welk geraamte horen. Het lijkt alsof nog levende mannen hen vanonder scheve helmen uit lege oogkassen verwijtend aankijken. “Dit zijn mogelijk soldaten uit het kasteeltje van Klessin. Misschien ligt hier mijn grootvader” zegt Harald tegen zijn groep. Hij kijkt om zich heen. Vanaf deze Seelöwer Höhen wilde de Wehrmacht de aanstormende Russische tanks tegen houden. Vóór hem een eindeloze vlakte waarop langs de horizon een tractor als een groot beest de aarde opensnijdt. Hier wachtte zijn grootvader de dood af. Hij kijkt naar de stapel beenderen van Duitse mannen die deze plek met de moed der wanhoop verdedigden, wetend wat er met hen zou gebeuren als ze gevangen genomen werden. Jongens van zeventien jaar. Mannen van vijftig. Ergens in Duitsland hoopte een miljoen families zeventig jaar lang ooit nog iets te horen van hun zoon, vader of, zoals bij hem zelf, van hun grootvader. Harald draait zich om, kijkt weer naar de geraamten. “Ze vragen nog steeds waarom ze hier moesten sterven. Wij weten het antwoord.” Er klinkt emotie in zijn stem. De teamleden begrijpen wat er in hem omgaat. Hij zoekt zijn grootvader die met hem wandelde in de jaren dat Adolf Hitler schreeuwde dat de joden moesten worden vernietigd. Hier, in Polen, is die vernietiging uitgevoerd. Heeft grootvader Günther daaraan meegedaan? Harald begrijpt deze gedachten van de teamleden en verbreekt de stilte. “De Russen hadden net Auschwitz bereikt, niet ver hier vandaan. En ze wisten wat wij Duitsers in Rusland hebben gedaan. Ze gaven geen pardon meer voor gevangenen.” Zijn jonge teamleden zwijgen. Voor hen is Auschwitz een verleden waaraan ze liever niet worden herinnerd. Ze voelen zich niet verantwoordelijk voor wat er in de oorlog is gebeurd. Ze hebben een nieuw Duitsland opgebouwd. Zoiets zal immers nooit meer gebeuren?

Die avond is er een bijeenkomst van de Duitse groep met dorpelingen en met Heinz Mitschinski, een twee en negentig jarige, die hier als Duits soldaat heeft gevochten. Hij vertelt hoe hij het trommelvuur van duizenden Russische kanonnen beleefde in de nacht vóór de aanval. “De Russische overmacht was overweldigend. Twee duizend tanks en een miljoen soldaten stonden klaar om wraak te nemen. De aarde trilde, de hemel was één grote wals van vuur die langzaam op ons toekwam. We doken zo diep mogelijk weg maar soms kwam een granaat in onze loopgraven terecht en hoorden we het gegil van onze kameraden. We hadden niets anders dan handwapens en pantservuisten om de tanks uit te schakelen maar toen die schietend aan kwamen denderen, durfden we onze hoofden niet boven de loopgraaf uit te steken. We zagen de rupsbanden boven ons langs rollen, hoorden hoe ze soldaten in loopgraven vermorzelden. Toen de tanks voorbij waren, bleek dat ze het kasteeltje niet hadden aangevallen maar er omheen waren gereden. We kropen er naar toe, langs loopgraven met gillende soldaten. Sommigen hebben we meegenomen, de meesten moesten we achterlaten. In het kasteel was een noodhospitaal met honderdvijftig gewonden. Net toen we er waren, kwam de Russische infanterie. We renden de bossen in. Even later zagen we hoe de gewonden met mitrailleurs werden gedood en begraven, ongeveer op de plaats waar jullie nu bezig zijn.” Heinz Mischinski is stil. De tranen lopen over zijn wangen. “Dat kan ik maar niet vergeten…” De Poolse dorpsbewoners gaan stil naar huis. Mitschinski kon nauwkeurig aanwijzen waar de geëxecuteerde soldaten waren begraven. Zorgvuldig halen ze alle geraamtes uit het massagraf, ordenen die zo goed en zo kwaad als dat gaat en zoeken naar identiteitsplaatsjes. Bij geen enkel geraamte wordt een plaatje gevonden want Russische soldaten sneden die plaatjes los om thuis als trofee te tonen. Harald gaat terneergeslagen terug naar zijn tent. Zijn grootvaders geraamte ligt buiten in de neergutsende regen en zou, als niet kon worden vastgesteld welk geraamte van hem was, in een massagraf in Duitsland worden begraven. Als hij doodmoe in zijn slaapzak wil kruipen, komt een van de teamleden de tent binnen. “Harald, ik heb gezien hoe teleurgesteld je was. Ik ben nog eens langs de geraamtes gelopen en zag dat er één geraamte was met een heupprothese. Kan dat je grootvader zijn?” Harald denkt aan zijn grootvader die nooit over een kunstheup sprak. “Ik denk het niet maar toch bedankt” zegt hij. Hij haalt zijn grootvader voor de geest, hoe hij door de bossen liep. Zou dan toch…? De enige die het kan weten is Gudrun, zijn oudere zuster. Hij grijpt zijn telefoon en belt haar. “Waarom bel je zo laat nog? Toch niets ernstigs?” vraagt Gudrun. “Gudrun, ik sta hier bij een grafveld aan de Oder en heb misschien het geraamte van grootvader Günther gevonden. Heeft hij ooit een nieuwe heup gekregen?” Even is het stil. Dan klinkt haar stem, zachtjes, ontroerd. ”Harald, Harald. Hij had een kunstheup. Hij liep niet voor niets zo moeilijk. Heb je hem gevonden? Harald toch…Breng je hem mee?” Natuurlijk zal hij zijn grootvader meebrengen, denkt Harald. De groep pakt de meer dan honderd geraamtes in en zorgt voor transport naar Berlijn. Even lopen ze nog langs de plaats waar het kasteeltje ooit stond en waar deze mannen waren gestorven. Als de groep klaar is om te vertrekken, komen inwoners van Klessin hen bloemen brengen. Om bij de doden te leggen en het verleden te vergeten, zeggen ze.

Günther Genetzke ligt nu thuis, op het erekerkhof. De zoektocht van kleizoon Harald Genetzke is voorbij. Hij heeft bij de begrafenis een handvol Klessin-aarde en een bloem van de Polen over de kist gestrooid. Om het verleden niet te vergeten. Op het kruis is een medaillon aangebracht met een foto van Günther in militair uniform. Dat was het enige dat men in Berlijn kon vinden van de man die drie kwart eeuw moest wachten tot hij naar huis mocht. Binnenkort is ook hij voorgoed vergeten.

> Explanade juni 2018. Verkorte versie uit Oorlogsverhalen <