Ma komt in het verpleeghuis haar bed niet meer uit. Ze ligt, zonder het te beseffen, te wachten op haar dood, maand na maand, jaar na jaar. Een vrijwilligster is bezig haar pudding te voeren uit een plastic bekertje van Danone, lepeltje na lepeltje na lepeltje. Om de paar lepeltjes veegt ze de pudding van het  doodsbleke gezicht.

“Wat brengt u er toe dit werk als vrijwilligster te doen?” vraag ik.

“Ik was vroeger in de verpleging. Nadat de kinderen de deur uit waren, ben ik dit een halve dag per week gaan doen. Ik doe het zo graag. Het geeft mijn leven weer wat zin.”

Ik haal een stoel uit de gang, ga even zitten om over dit antwoord na te denken. Een goede vrouw die haar leven weer zin geeft door mijn moeder te verzorgen. Ik zie mijn opa weer toen hij even oud was als ik nu ben. Opoe lag in dat donkere huis aan de Woenselsestraat op bed. Er waren geen vrijwilligers die hem hielpen. Hij moest zelf de pudding op het houtgestookte fornuis klaarmaken, zelf lepeltje voor lepeltje haar verdorrende mond vullen, haar gezicht afvegen, haar verschonen. Ook jaar in, jaar uit. Ma ging hem iedere week een dag helpen. Op mijn kleine fiets reed ik mee over het zwarte gruis van de Barrierweg. Ik ging niet mee naar binnen. Ik vond het veel spannender naar de hoog overvliegende bommenwerpers te kijken die Duitsland gingen bombarderen. Te luisteren naar de Duitse kanonnen bij de IJzeren man die probeerden die hoge Vliegende Forten te bereiken. Misschien een paar van die gloeiend hete granaatscherven op te rapen die soms gierend naar beneden kwamen.

Toen opoe stierf op dat stille bed bij het raam keek ze nog even naar haar eigen tuin, naar de bloemen die ze zo lang geleden had geplant. Nog een keer zag ze de zon ondergaan achter het eenzame perzikboompje. Kon ze de hoge populieren zien die haar een afscheid toe ritselden.

Ik ga een paar keer per maand naar mijn langzaam wegterende moeder, alleen om naar haar te  kijken, niet om te helpen. Haar dode ogen staren me dan aan. Ze kent me niet meer. Toen ze nog uit dat bed kon komen, vroeg ze me eens “Meneer, bent u van de televisie?” Daarna vroeg ze nooit meer iets.

Ze wordt ver van haar familie goed verzorgd, ver van haar kinderen, van het huis waar ze oud werd, waar ze onze kinderen zag opgroeien tot volwassen mensen en even, heel even, haar kleinkinderen nog zag. Daarna kwam de vergetelheid, werd haar blik dof, kende ze niemand meer, veegden vreemden de pudding van haar lippen. In de lift naar beneden heb ik gehuild. Een man naast me keek me aan.

“Ook op bezoek geweest? Het valt niet mee, hè? En wie zal ons verzorgen als we niet naar een verpleeghuis mogen? Zullen wij weer thuis moeten sterven?”