Fransje Swart, mijn schoolvriendje, was maar klein. Als we over de lange Kattenstraat naar de Nutsschool gingen, liep hij daarom midden in onze groep. We beschermden hem tegen de jongens van de katholieke school aan de Frankrijkstraat. Als dank leerde Fransje me wilde planten kennen, bloemen, insecten, slakken, vogels. Hij vertelde dat alles dat leeft zo prachtig is.
“Kijk eens Gerrie. Die Vlaamse gaai daar. Mooi hè, die blauwe en zwarte en witte veren.”
Ik zie nog de zwarte ogen voor me waarmee Fransje me aankeek als ik naar hem luisterde.

In de week waarin de Duitsers Nederland binnenvielen, liep ik ’s morgens naar de Mussenbroekstraat om Fransje op te halen want hij was al een paar dagen niet op school geweest. Voor zijn huis stond een groep mensen met sombere gezichten. Sommigen huilden. Men zei dat de familie zelfmoord had gepleegd door in de keuken de gaskraan open te zetten. Fransje en zijn familie waren dood. Verslagen liepen we naar school. We begrepen er niets van.
“Waarom hebben ze dat gedaan, Pap?”
“Dat vertel ik later wel”.
Hij keek naar me, alsof hij nadacht, draaide zich om, liep de gang in, naar mijn moeder.
“Nee!” riep ze. Ze huilde tegen de schouder van mijn vader.

De lijst van Eindhovense oorlogsslachtoffers geeft een beeld van de dood van de familie Swart in mei 1940. In kille woorden, alsof het een alledaags weerbericht is.
De familie Swart is gestorven op 16-05-1940 te Wassenaar. Zeehandelaar-Reens, Rosette, geboren 08-12-1875. Zeehandelaar, Emma, geboren 28-05-1904. Swart, Robert, geboren 13-12-1933. Sack, Jacob, geboren 06-10-1902. Swart, Frans, geboren 04-07-1932. Allen wonende Mussenbroekstraat 68.
De familie wist wat hen in de Duitse vernietigingskampen te wachten stond. Wilde dat niet afwachten. Ze kende de geschiedenis van het joodse volk. Ze kwamen uit den Haag en Eindhoven in Wassenaar bij elkaar om samen, jong en oud, te sterven. Ook Fransje die de bloemen en de vogels zo mooi vond. Drie generaties stierven op die zonnige meidag in een donkere keuken in Wassenaar. Opa, oma, vader, moeder, twee zonen, elkaar vasthoudend, biddend tot hun God. Wachtend op het bevrijdende gas.

Vijfenzeventig jaar later zie ik in mijn herinnering Fransje weer blij lachend naast me lopen in de Kattenstraat. Hij houdt mijn hand vast, dan is hij veilig.
Veilig…
Zijn donkere ogen komen een mensenleven later terug in mijn nachtmerries die er altijd weer in slagen uit onbekende spelonken van mijn geheugen meedogenloos flarden herinnering op te halen die ik nu opnieuw moet beleven.

Ik ben vanmiddag naar het enige stukje Kattenstraat gelopen dat nog bestaat. Boterbloemen en madeliefjes gezocht en naar pimpelmeesjes gekeken, zoals Fransje me had geleerd. Het is weer mei, net als toen. Er staan nu huizenblokken. De wilde bloemen uit mijn jongensjaren zijn weg. In de enige verwaarloosde tuin van de straat vecht nog een bosje paardenbloemen tegen de brandnetels. De andere tuinen zijn keurig verzorgd. Tegels om de auto’s in de tuin te zetten, een stokroos tegen een muur, een plastic engeltje op keurig gemaaid gras. Geen witte margrieten meer, geen gele boterbloemen, geen helder blauwe korenbloemen. Die zelfde zon uit mijn jongensjaren straalt nu even tussen de flats door om de enige boom in de straat wat leven te brengen.
Leven te brengen…
Dan is er weer schaduw waar ooit zo veel licht was.

Ik denk aan mijn vader die me in die meidagen niet wilde vertellen waarom Fransje stierf. Ik denk aan de blik waarmee hij toen naar mijn moeder keek en daarna naar mij. Hij dacht die morgen aan zijn eigen zoon en aan de jaren die nog zouden komen. Ik begreep toen niet waarom mijn moeder huilde.
Nu wel want ook ons had die dood kunnen wachten…

Ger de Wind