Zoals al bij het bombardement op 6 december in de Geschiedenis van Philips Electronics NV is vermeld had het bombardement op 6 december 1942 wel veel schade aangebracht bij Philips maar juist niet daar waar dat het meest nodig was: in de fabriek aan de Emmasingel waar Philips de elektronenbuizen maakte die het Duitse leger nodig had. Dat was ook gebleken toen de Royal Air Force foto’s van de schade analyseerde. Er was dus een nieuw bombardement nodig. Dat gebeurde met slechts negen vliegtuigen. De Geschiedenis van Philips Electronics NV vermeldt: Een tweede aanval op het complex aan de Emmasingel werd dan ook door een kleine groep vliegtuigen en bij het invallen van duisternis uitgevoerd. De aangerichte schade was evenwel beperkt[1].

Mogelijk had echter het gemak waarmee de RAF belangrijke fabrieken kon bombarderen de Duitse legerleiding duidelijk gemaakt dat ze die productie van speciale elektronica voor de Wehrmacht moest spreiden en verder van de Britse vliegvelden moest onderbrengen, dus dat de fabricage verplaatst moest worden. Een deel van de Philipsproductie kwam in 1945 terecht in ondergrondse ruimtes in Porta Minden waar 3000 arbeidskrachten gingen werken, waaronder Nederlandse vrouwen uit Vught. Een ander deel werd gepland in de gangen van de Sint Pietersberg bij Maastricht maar door de snelle opmars van de geallieerd en kwam dit plan niet tot uitvoering.

Productieruimte Minden

Maar was bij het bombardement op 6 september 1942 de Demer vrijwel geheel verwoest, op 30 maart 1943 werd de Fellenoord zwaar getroffen. Op 19 september 1944 kwam daar nog het zware Duitse bombardement overheen. Daarmee was Eindhoven, na Rotterdam, de zwaarst getroffen stad van Nederland.

Maar hoe verschrikkelijk ook de gevolgen van de bombardementen op Eindhoven waren, ze schiepen ook ruimte voor vernieuwing van de stad, die hard nodig was, want met de groei van bedrijven als Philips, van Doorne en vele andere paste het centrum van de stad niet meer bij de na de oorlog groeiende bevolking. Het centrum was door de verwoesting van de Demer en de Fellenoord een grote open vlakte geworden. Daardoor ontstond ruimte om eindelijk het “overwegprobleem” met zijn files midden in de stad, op te lossen. Eindhoven, maar ook de gebouwen van Philips ondergingen in de jaren na de oorlog een ingrijpende vernieuwing. De stad kwam als een Phoenix uit het oorlogsvuur terug. Toen echter met de operatie Centurion een snelle af bouw van de aanwezigheid van Philips in Eindhoven begon, vreesde men voor een sterke terugval van Eindhoven maar die vrees bleek niet terecht. De Emmasingelgebouwen werden geleidelijk verkocht. De Demer werd herbouwd, de Fellenoord niet, al is er nu weer een Fellenoord in Eindhoven die echter in geen enkel opzicht aan de oude, knusse Fellenoord herinnert. De Emmasingel werd bij de bombardementen wel geraakt maar de gebouwen overleefden het. De transistoren verjoegen de radiobuizen en onder de naam Witte Dame zal het gebouw met een roemruchte technische geschiedenis binnen niet al te veel jaren haar eeuw-jubileum vieren.  De Philipsfabrieken op Strijp waren als snel weer opgeknapt maar niet meer voor industriële doelen. Ook daar ontstond nieuw leven. In 2002 verkocht Philips Strijp S aan Park Strijp Beheer. De gebouwen die nog door het bedrijf gebruikt werden, huurde Philips terug maar Philips is nu bijna helemaal weg uit Strijp. Vanaf 2006 werden de eerste gebouwen gesloopt en kwam er nieuwe bedrijvigheid, met name in de creatieve sector zoals rond de jaarlijkse Dutch Design Week. En steeds meer Eindhovenaren wonen nu waar hun vaders en grootvaders ooit werkten.

*

We hopen dat we nu ook eens mensen zien die anders nooit naar Strijp S komen schreef het Eindhovens Dagblad ter gelegenheid van een Open Monumentendag. Ik had al lang eens willen gaan kijken naar het gebied waar ik ooit de eerste jaren van mijn loopbaan bij Philips doorbracht. Nu dan maar doen. Het is een prachtige herfstzondag. Zal ik zo maar het terrein op mogen waar eens portiers de Verboden Stad In De Stad bewaakten? Geen enkel probleem. Zelfs geen slagboom. Voorzichtig manoeuvreer ik tussen spelende kinderen door naar een parkeerplaats, blijf even in de auto zitten om de omgeving op me in te laten werken.Wat eens een van leven gonzend industriegebied was, daarna dreigde te verworden tot een langzaam stervende rij hol ogende karkassen, is nu tot veler verbazing en trots weer tot leven gebracht. Nog niet zo lang geleden dacht ik dat dit gebied het lot zou ondergaan van Detroit, dat na de terugval van de auto-industrie een trieste woestenij van vervallen glorie was geworden. Hier schijnt de zon op een schitterend witgeverfd gebouw waarop het Philipsembleem met sterren en golfjes niet langer ronddraait zoals vroeger, maar stokstijf stilstaat. Het lijkt een teken van verstarring uit de tijd van verlating door Philips. Die confrontatie van heden en verleden beheerst de hele wandeling.

Ik zie de ooit sombere, dreigende betonnen kolossen zoals ik ze zestig jaar geleden heb gezien. De gebouwen waarvoor mijn vader uit Amsterdam was gekomen. Een paar maanden later ontmoette hij mijn moeder die op het hoofdkantoor van Philips aan de Emmasingel werkte. En nog een jaar later was ik er. Ik denk aan de kleine, geel geworden foto van de vrolijk lachende kleuter die ik toen was. Ik stond op een grote trottoirvlakte langs de Kronehoefstraat, waar ik ben geboren, waar nu de razende rondweg is. Achter mij langs de Boschdijk een vervallen boerderij. Verder alleen stilte waar nu een lelijke, stalen naald misplaatst boven de vrachtwagens glanzend de lucht in staat te steken. Waar mijn doopkerk is gesloopt.

Ik stap uit, ga zitten op een van oude betonplanken in elkaar getimmerde bank, ruw geschaafd, met de letters er nog op. This side up kan ik nog net onder mijn rechter broekspijp lezen. Achter me rijst een grote bakstenen woonkolos de lucht in. Het hangt in de lucht heet het gebouw. Wat stond daar vroeger ook weer? Hebben ze dat gesloopt? Ik weet het weer: de oude papierfabriek waar in 1952 de eerste transistors van Philips zijn gemaakt. Waaruit later het miljardenbedrijf Philips Semiconductors in Nijmegen is voortgekomen waar zich het grootste deel van mijn werkzaam leven heeft afgespeeld. Ook alweer verlaten en verkocht. Een beetje weemoedig begin ik aan de wandeling, denkend aan Detroit.

In de Ontdekfabriek loop ik binnen. Vrolijke kinderen rennen door de hallen waar eens radiobuizen werden gemaakt. Ze klimmen op en in de bouwsels die daar staan. Buiten is het een leven van je welste. Ouders staan trots te kijken hoe hun kinderen met de tong uit de mond planken staan te zagen en daarvan de meest vreemde voertuigen in elkaar timmeren. Boven hun hoofden lopen nog de brede rijen gasbuizen die me in mijn veel jongere jaren hebben begeleid als ik vanaf het NatLab naar de gieterij moest om een vreemde legering voor een proef te bestellen. Vlak bij waar ik nu sta, stond dat kleine, stoffige, hete bedrijfje van baas Postma.
“Ben je daar weer? Moeten we weer zo’n idiote legering voor je maken? Wat doen jullie halve zolen daar toch mee?” vroeg de dikke chef van achter zijn hoge hek op de eerste etage, want het gezag moest bij Philips altijd een paar meter hoger staan dan het gewone volk. Kon je ze een beetje in de gaten houden. Ook al voorbij, dat hoge gezag. Zei Postma eigenlijk wel halve zolen? Of was dat een nieuw woord dat ik aan mijn herinnering had geplakt? Newspeak, om in stijl te blijven.

Philips deed alles toen zelf, want in het Eindhoven van die tijd was niets te koop dat een wereldbedrijf nodig had. Ook dus zelf glas maken in die hete hallen waar de Drentenaren in de gloeihitte zwetend met roodbolle wangen lampen stonden te blazen. Arme mensen! Zouden ze hun plaggenhutten op de Drentse hei hebben verlaten als ze hadden geweten wat hen te wachten stond? Hun achterkleinkinderen wonen nu aan de overkant, in het Drents dorp.

Daar ergens, recht voor me uit stond de grote glasfabriek. Ik kijk de richting van de stad in en zowaar, daar staat de enorme schoorsteen nog. Als een donkere, boze waarschuwing, scherp afgetekend tegen de herfstzon en tussen oude gebouwen die men probeert te veranderen in “lofts” of in “unieke gelegenheden voor businessopportunities”. De enige overgebleven hoge schoorsteen van wat eens een industriestad was. Ik loop verder naar het Veemgebouw waar op de begane grond wordt gewerkt aan de hergeboorte van dit trotse gebouw waaruit ooit de eerste TV- uitzendingen in Nederland plaatsvonden. Van waaruit Philips haar producten de hele wereld in stuurde. Aan de zijkant waren de openingen nog te zien die het gebouw met het naastgelegen productiegebouw verbonden.

De onderdelen gingen er daar in en hier kwamen de televisies er uit. Zo was het, dacht ik, maar de bezoekers van de open dag hebben dat nooit gezien. Ik wel. Ik herinnerde me de lange rijen meisjes die urenlang zonder er bij te denken, steeds dezelfde weerstanden of capaciteitjes in de langs glijdende toestellen monteerden. Als ik er tussendoor liep, stootten ze elkaar aan en wezen naar me met hun ene vrije vinger, hun pink. Bezoekers kwamen er niet zo vaak en ik was destijds nog een knappe jongen. Denk ik. Ze giechelden en vertelden weer verder over hun avontuurtjes in het weekend in Budel of in Turnhout of in Helenaveen, want daar werden ze in lange rijen bussen iedere dag vandaan gehaald. In een ander gebouw drukbezochte winkeltjes voor boeken, kunst, tapijten, meubels. In een ervan liep ik binnen. Alleen de vloer was anders dan vroeger. Boven mijn hoofd nog de oude gasbuizen en kabelgoten. Iemand is bezig de laag witkalk van de muren af te bikken. Daaronder zie ik de oudere lagen. Een wat grijzige laag, en nog dieper de ruwe muren waarin nog de afdrukken van de betonplanken te zien zijn. Uit “mijn” tijd. Meer dan zeventig jaar geleden…

Ik wandel de brede weg af naar de nog resterende delen van de oude TV-fabriek aan de overkant van de rondweg, langs het enorme nu drukkend stille parkeerterrein waar een halve eeuw geleden tientallen bussen ’s morgens vroeg hun werkvolk voor Philips uitspuwden. Langs het Drents Dorp waar gepensioneerde glasblaasopa’s tevreden met kleinkinderen op hun schoot in hun tuintjes zitten.

In het restaurant eet ik een gebakken boterham. Ik kijk naar boven, naar de dakspanten van het gebouw waar een van mijn zonen ooit werkte. Naar het buffet, gemaakt van overtollige gasbuizen die men hergebruikt uit medelijden met oude mensen als ik. Misschien voelen die ouderen zich dan nog een beetje thuis tussen al die vrolijk lachende jonge mensen, die geen melancholische herinneringen hebben aan de glorie die hier ooit huisde.

Ach, het valt allemaal wel mee. Hier is nieuw en hoopgevend leven geboren, het is geen Detroit geworden. Maar er rommelt toch iets door mijn hoofd. Wat heb ik op Strijp S toch gemist toen ik in het café Natlab was dat op de plaats is waar vroeger de afdeling woonde waar ze die nieuwe mengsels bedachten? Er was toch altijd iets akeligs hier? Ik weet het weer. Toen ik langs de betonnen kolossen liep, was het beeld wel compleet maar een ander zintuig had mee moeten doen. Het had hier altijd geroken, zeg maar gestonken, naar de scherpe lucht van bakeliet, een door ene Baekeland daar bedachte vroege plastic waar Philips zijn radio’s in bouwde en waar de hele wijk Woensel ooit naar rook, tot in de kleren toe.

Ook al weg….

*

De twee gebeurtenissen die Eindhoven in de voorbije eeuw zwaar hebben getroffen, de bombardementen en het vertrek van Philips, hebben Eindhoven niet ten gronde gericht. Integendeel! De stad groeit en bloeit. Ze is een high-tech-centre geworden. Met dank aan Philips, want de sfeer en de kennis van het bedrijf zijn in de stad blijven leven en overgenomen door succesfirma’s als ASML, FEI, VDL en meer bedrijven. Samen hebben ze een omzet in de orde van Philips in de bloeitijd.

Als Eindhoven het tech-centre is van West-Europa en groeit en bloeit, dan moet men bedenken dat veel daarvan voortkomt uit Philips…

[1] Geschiedenis Philips Electronics NV. Pag.224