Het staat op pagina 8 van de krant van 12 juni 2013. Poolse archeologen hebben in een massagraf bij  Sobibor een naamplaatje gevonden van David Zak, een jongetje uit Amsterdam dat daar in 1943 samen met zijn ouders is vermoord. Het staat er als een alledaagse mededeling. De onuitspreekbare ellende van de Shoa is geen voorpaginanieuws meer. Pagina 8 is goed genoeg. Voor archeologen een interessante vondst, een passage voor een geschiedenisboek, meer niet.

Voor mij is die oorlogstijd nooit uit mijn gedachten. Die jaren zijn in mijn geheugen gebrand. Pas na de oorlog hadden mijn ouders me verteld dat mijn vader joods was. Ik begreep toen plotseling veel gebeurtenissen uit de oorlogsjaren. Hoe hij door de heg naar de buren vluchtte toen een Duitse soldaat de winkel binnenkwam. Toen de Grüne Polizei over de Boschdijk reed. Hoe het mogelijk was dat er op een dag in 1943 drie rouwkaarten op de schoorsteen stonden, van opa en oma uit Amsterdam, van oom Gideon en tante Alie en mijn nichtje Betje, waarmee ik vaak speelde als we in Amsterdam waren. En van oom Max.

“Ze waren heel erg ziek” zei mijn vader. “In de oorlog kan zoiets gebeuren”.

In de week daarna kregen we, zoals zo vaak, bezoek van tante Hetty en oom Karel Bouwman. Er werd dan altijd gelachen, gekaart en zelf gebrouwd bier gedronken. De huiskamer was vol sigarenrook. Maar deze avond was stiller dan anders, er werd niet gelachen, dat viel me op toen ik stiekem de trap afliep en aan de kamerdeur luisterde.

De volgende dag gingen we met de trein naar Amsterdam, naar tante Bertha van ome Max. Op de hoek van de Govert Flinckstraat gingen we in een café zitten en keken naar hun huis. “Wanneer gaan we naar binnen om tante Bertha te helpen nou ome Max dood is?” vroeg ik. “Dat is gevaarlijk bij zo’n ziekte” zei mijn vader. “Laten we maar even naar het Amstelveld gaan, naar het huis van opa en oma.” Daar durfde pa wel binnen te gaan. Ik herinner me, alsof het gisteren gebeurde, hoe we het trapje naar de voordeur boven het werkplaatsje van opa opliepen en hoe pa de deur openmaakte. In de huiskamer stond het brood nog op tafel. Het jasje waarin opa altijd snoep voor me bewaarde, hing nog over een stoel. Ik durfde niets te vragen want pa huilde.

Jaren later ben ik er nog eens gaan kijken. Het huis stond er nog, leeg en onveranderd, met holle ramen. Het was na de oorlog nooit meer bewoond, alsof men bang was dat de gruwelen uit de oorlog nog rondwaarden. In het werkplaatsje was alles donker. Ik stond bovenaan het trapje te kijken naar de kinderen die op het plein speelden. Hoe zou het hier geweest zijn als Betje nog leefde en naast me zou staan? Zouden we weer Klein Duimpje kunnen spelen in de alkoof? Een oude dame kwam uit de deur van het huis er naast.

“Kan ik U ergens mee helpen meneer?” Ik vertelde wie ik was en waarom ik hier stond.

“Ach meneer, ik heb ze gekend. Misschien heb ik u als klein jongetje wel eens hier gezien. Achennebbisj is het nou meneer…”. Huilend liep ze haar deur weer in.

Ik had, toen mijn moeder me na de oorlog vertelde dat mijn vader uit een joods gezin kwam, nooit begrepen hoe hij de oorlog had overleefd. Er werd niet over gesproken, niet met mij, niet met anderen. Alsof het iets was waar je je voor moest schamen. Of dachten mijn ouders na de oorlog nog steeds dat joden niet echt geaccepteerd werden? Waren mijn ouders in de oorlog bang geweest dat ik me zou verspreken als ik het wist?

Het krantenartikel verscheen in dezelfde week waarin ik een boek had gelezen over de samenwerking in de oorlogsjaren tussen de Philipsbewaking en de Eindhovense politie. Daarin werd geschreven over de tweede man van die politie, de Duitsgezinde K. Bouwman die na de oorlog in Vught zijn “straf niet was ontlopen”. Pas toen werd alles me duidelijk. Tante Hetty Bouwman was de hartsvriendin van mijn moeder. Ze hadden samen op het Philipssecretariaat aan de Emmasingel gewerkt, gingen samen dansen bij Carlton. Op een van die dansavonden had mijn moeder mijn vader ontmoet. Het klikte tussen het kantoormeisje en de jonge elektricien die uit Amsterdam was gekomen om te werken aan de bouw van de nieuwe Philipsfabrieken. Op een dag was Hetty naar mijn moeder gekomen en had gezegd: “Weet je dat Gerhard joods is?” Ze wist dat al. Van de pastoor die bij opa Dielesen thuis op de Fellenoord was gekomen en had gevraagd de relatie tussen haar en “die jood” te beëindigen, te stoppen met zakendoen met een joodse firma Hartog.

“Pastoor, Gerhard wordt katholiek en ik verdien goed aan de zaken met Hartog. Als ge me zaken geeft waarmee ik evenveel kan verdienen, kom dan maar eens terug.”

Mijn vader en moeder trouwden dus. Ik was het resultaat, keurig gedoopt in de Pauluskerk waar mijn vader maandenlang catechisatie had gehad.

“Gerhard was protestant” had mijn moeder voor alle zekerheid tegen de pastoor gezegd.  Tante Hetty bleef Ma’s hartsvriendin, ook in oorlogsjaren toen ze getrouwd was met Karel Bouwman, de nazivriend met een hoge positie bij de Eindhovense politie en relaties met de Grüne Polizei. Hij wist van tante Hetty dat pa joods was maar heeft hem nooit verraden. Hoe moeten de kaartavondjes van mijn ouders met die hoge politieman zijn verlopen? Ze moeten doodsbang zijn geweest. Konden ze hem wel vertrouwen?

Toen Bouwman na de oorlog werd opgesloten in kamp Vught, ging pa er met tante Hetty heen om hem extra eten en kleren te brengen. Ik had dat nooit begrepen en vroeg mijn vader hoe hij zo’n moffenvriend kon helpen.

“Dat vertel ik nog wel eens” was zijn antwoord.

Dat antwoord is nooit gekomen.

Pas nu begrijp ik waardoor ik nog leef en waarom archeologen nooit mijn naamplaatje in Sobibor zullen vinden.