We hopen dat we nu ook eens mensen zien die anders nooit naar Strijp S komen schreef het Eindhovens Dagblad ter gelegenheid van de Open Monumentendag. Ik had al lang eens willen gaan kijken naar het gebied waar ik ooit de eerste jaren van mijn loopbaan bij Philips doorbracht. Nu dan maar doen. Het is een prachtige herfstzondag. Zal ik zo maar het terrein op mogen waar eens portiers de Verboden Stad in de Stad bewaakten? Geen enkel probleem. Zelfs geen slagboom. Voorzichtig manoeuvreer ik tussen spelende kinderen door naar een parkeerplaats, blijf even in de auto zitten om de omgeving op me in te laten werken.

Wat eens een van leven gonzend industriegebied was, daarna dreigde te verworden tot een langzaam stervende rij hol ogende karkassen, is nu tot veler verbazing en trots, weer tot leven gebracht. Nog niet zo lang geleden dacht ik dat dit gebied het lot zou ondergaan van Detroit, dat na de terugval van de auto-industrie een trieste woestenij van vervallen glorie was. Hier schijnt de zon op een schitterend, witgeverfd gebouw waarop het Philipsembleem met sterren en golfjes niet langer ronddraait zoals vroeger, maar stokstijf stilstaat. Het lijkt een teken van verstarring uit de tijd van verlating door Philips. Die confrontatie van heden en verleden beheerst de hele wandeling.

Ik zie de ooit sombere, dreigende betonnen kolossen zoals ik ze zestig jaar geleden heb gezien. De gebouwen waarvoor mijn vader uit Amsterdam was gekomen. Een paar maanden later ontmoette hij mijn moeder die op het hoofdkantoor van Philips aan de Emmasingel werkte. En nog een jaar later was ik er. Ik denk aan de kleine, geel geworden foto van de vrolijk lachende kleuter die ik toen was. Ik stond op een grote trottoirvlakte langs de Kronehoefstraat, waar ik ben geboren, waar nu de razende rondweg is. Achter mij langs de Boschdijk een vervallen boerderij. Verder alleen stilte waar nu een lelijke, stalen naald misplaatst boven de vrachtwagens glanzend de lucht in staat te steken, waar mijn doopkerk is gesloopt. Ik stap uit, ga zitten op een van oude betonplanken in elkaar getimmerde bank, ruw geschaafd, met de letters er nog op. This side up kan ik nog net onder mijn rechter broekspijp lezen. Achter me rijst een grote bakstenen woonkolos de lucht in. Het hangt in de lucht heet het gebouw. Wat stond daar vroeger ook weer? Hebben ze dat gesloopt? Ik weet het weer. De oude fabriek waar in 1952 de eerste transistors van Philips zijn gemaakt. Waaruit later het miljardenbedrijf Philips Semiconductors in Nijmegen is voortgekomen waar zich het grootste deel van mijn werkzaam leven heeft afgespeeld. Ook al weer verlaten en verkocht. Een beetje weemoedig begin ik aan de wandeling, denkend aan Detroit.

In de Ontdekfabriek loop ik binnen. Vrolijke kinderen rennen door de hallen waar eens radiobuizen werden gemaakt. Ze klimmen op en in de bouwsels die daar staan. Buiten is het een leven vanjewelste. Ouders staan trots te kijken hoe hun kinderen met de tong uit de mond planken staan te zagen en daarvan de meest vreemde voertuigen in elkaar timmeren. Boven hun hoofden lopen nog de brede rijen gasbuizen die me in mijn veel jongere jaren hebben begeleid als ik vanaf het Nat Lab naar de gieterij moest om een vreemde legering voor een proef te bestellen. Vlak bij waar ik nu sta stond dat kleine, stoffige, hete bedrijfje van baas Postma.

“Ben je daar weer? Moeten we weer zo’n idiote legering voor je maken? Wat doen jullie halve zolen daar toch mee?” vroeg de dikke man van achter zijn hoge hek op de eerste etage, want het gezag moest bij Philips altijd een paar meter hoger staan dan het gewone volk. Kon je ze een beetje in de gaten houden. Ook al voorbij, dat hoge gezag. Zei Postma eigenlijk wel halve zolen? Of was dat een nieuw woord dat ik aan mijn herinnering had geplakt? Newspeak, om in stijl te blijven.

Philips deed alles toen zelf, want in het Eindhoven van die tijd was niets te koop dat een wereldbedrijf nodig had. Ook dus zelf glas maken in die hete hallen waar de Drentenaren in de gloeihitte zwetend met roodbolle wangen lampen stonden te blazen. Arme mensen! Zouden ze hun plaggenhutten op de Drentse hei hebben verlaten als ze hadden geweten wat hen te wachten stond? Hun achterkleinkinderen wonen nu aan de overkant, in het Drents dorp.

Daar ergens, recht voor me uit stond de grote glasfabriek. Ik kijk de richting van de stad in en zowaar, daar staat de enorme schoorsteen nog. Als een donkere, boze waarschuwing, scherp afgetekend tegen de herfstzon en tussen de oude gebouwen die men probeert te veranderen in “lofts” of in “unieke gelegenheden voor business opportunities”. De enige overgebleven hoge schoorsteen van wat eens een industriestad was. Ik loop verder naar het Veemgebouw waar op de begane grond wordt gewerkt aan de hergeboorte van dit trotse gebouw waaruit ooit de eerste TV-uitzendingen plaatsvonden. Van waaruit Philips haar producten de hele wereld in stuurde. Aan de zijkant waren de openingen nog te zien die het gebouw met het naastgelegen productiegebouw verbonden.

De onderdelen gingen er daar in en hier kwamen de televisies er uit. Zo was het, dacht ik, maar de bezoekers van de open dag hebben dat nooit gezien. Ik wel. Ik herinnerde me de lange rijen meisjes die urenlang zonder er bij te denken, steeds dezelfde weerstanden of capaciteitjes in de langs glijdende toestellen monteerden. Als ik er tussendoor liep, stootten ze elkaar aan en wezen naar me met hun ene vrije vinger, hun pink. Bezoekers kwamen er niet zo vaak en ik was destijds nog een knappe jongen, denk ik. Ze giechelden en vertelden weer verder over hun avontuurtjes in het weekend in Budel of in Turnhout of in Helenaveen, want daar werden ze in eindeloze rijen bussen iedere dag vandaan gehaald. In een ander gebouw drukbezochte winkeltjes voor boeken, kunst, tapijten, meubels. In een er van liep ik binnen. Alleen de vloer was anders dan vroeger. Boven mijn hoofd nog de oude gasbuizen en kabelgoten. Iemand is bezig de laag witkalk van de muren af te bikken. Daaronder zie ik de oudere lagen. Een wat grijzige laag en nog dieper de ruwe muren waarin nog de afdrukken van de betonplanken te zien zijn. Uit “mijn” tijd. Meer dan zeventig jaar geleden…

Ik wandel de brede weg af naar de nog resterende delen van de oude TV – fabriek aan de overkant van de rondweg, langs het enorme nu drukkend stille parkeerterrein waar een halve eeuw geleden tientallen bussen ’s morgens vroeg hun werkvolk voor Philips uitspuwden. Langs het Drents Dorp waar gepensioneerde glasblaasopa’s tevreden met kleinkinderen op hun schoot in hun tuintjes zitten. In het restaurant eet ik een gebakken boterham. Ik kijk naar boven, naar de dakspanten van het gebouw waar een van mijn zonen ooit werkte. Naar het buffet, gemaakt van overtollige gasbuizen die men hergebruikt uit medelijden met oude mensen als ik. Misschien voelen ouderen zich dan nog een beetje thuis tussen al die vrolijk lachende jonge mensen, die geen melancholische herinneringen hebben aan de glorie die hier ooit huisde.

Ach, het valt allemaal wel mee. Hier is nieuw en hoopgevend leven geboren, het is geen Detroit geworden. Maar er rommelt toch iets door mijn hoofd. Wat heb ik op Strijp S toch gemist toen ik in het café Natlab was dat op de plaats is waar vroeger de afdeling woonde waar ze nieuwe mengsels bedachten? Er was toch altijd iets akeligs hier? Ik weet het weer. Toen ik langs de betonnen kolossen liep, was het beeld wel compleet maar een ander zintuig had mee moeten doen. Het had er hier altijd geroken, zeg maar gestonken. Naar de scherpe lucht van een door ene Baekeland daar bedachte vroege plastic, bakeliet, waar Philips zijn radio’s in bouwde en waar de hele wijk Woensel ooit naar rook, tot in de kleren toe.

Ook al weg….

Ger de Wind